Verhalen

Vroeger was alles mooier, Kermis

Geschreven door Henk-Jan Wittink op 3 november 2017

Vroeger was alles beter, mooier en spannender.

Eind jaren zestig, de Flora stelde weinig voor, de Visserijdagen stonden in de kinderschoenen. Het Westerlander Dorpsfeest en de Hippofeesten moesten nog worden uitgevonden. Er was slechts één hoogtepunt; ‘De Wieringer Kermis!

Je wist wanneer de Kermis begon, aan het einde van de grote vakantie. Wat duurde die vakantie toch lang, het leek wel een eeuwigheid. Thuis merkte ik dat het ging rommelen als mijn Oma, voor anderen Tante Trijn, allerlei zaken moest regelen voor haar cafetaria Aurora (later in 1969 de bar van Piet en Annie), biefstukken en kippen inslaan, veel kroketten draaien. Een week voor de laatste donderdag in juli zette ik de wekker al om vier uur ‘s nachts, toen ik nog geen wekker had hoopte ik om voor dag en dauw wel wakker te zijn. Ik sloop mijn bed uit en stapte op de fiets richting het Kerkplein. Niets! Verdorie, zou het dit jaar wel doorgaan? Ik reed voor de zekerheid de hele omgeving af en speurde de gemeentewerf af, dit was waar nu de dokter zijn praktijk heeft. Zwaar teleurgesteld richting huis, daar verwelkomd door mijn moeder die vroeg of ik wel goed bij mijn hoofd was om midden in de nacht kermisauto’s te gaan zoeken. Sommige mensen snappen dan ook niets van het echte Kermis gevoel.

In het weekend voor de Kermis meer geluk, ‘Nougat de Montelimar!!!’ de snoepkraam was gearriveerd. Tot 1970 moest deze nog worden opgebouwd, net zoals alle andere tenten. De kermis was van hout en zeil. Je rook de kermis. Die typische ronde koepeltenten met hun grote witglazen lampenbollen. Het bumperspel, de schuivertjes en het klokkenspel. Je kende de mensen, het waren helden. Jan Sipkema, Henk Punter, Willy Sipkema, Harry (H.H.) Hoefnagels en ome Teun van de schiettent. De meeste kwamen pas op dinsdagmiddag aangescheten, dit kwam omdat die stomme kermis in Anna Paulowna wel tot maandagavond duurde, de egoïsten. Woensdag was dan ook een dag om wederom om vier uur het bed te verlaten. Er moest werk gezocht worden bij de kermisbazen, helpen opbouwen, de ultieme vakantiebaan. Na vijf uur wachten, er waren nog meer van die vroege bedverlaters aanwezig, kwamen de eerste kermisklanten aan. Nu maar hopen op een baan zonder vooruitzichten. Ik heb een paar keer geluk gehad. Bij de snoepkraam heb ik ooit een hand vol met zuurstokken verdiend. Ooit had ik een vaste aanstelling bij de "Fakir". Ik zag het al voor me, vijf dagen lang kaartjes ophalen bij de toeschouwers. Deze ultieme kans werd echter door mijn vriend Jan van der Wal de grond ingeboord toen hij een opmerking maakte over een luikje in het podium onder de spijkerton waar de Fakir ontsnapte. Op staande voet werden wij ontslagen toen het werk af was, je vroeg niet naar de geheimen van de fakir, de charlatan. Later heb ik dan ook getracht om werk te vinden zonder Jan. Andere jongens hadden meer geluk, Gerrit van Hest hielp altijd bij de Hobbelende Geit, His Wilms bij de Spin en Jaap Mosterd mocht zelfs in de kassa naast Harry van de botsauto’s zitten, de uitslover. Wij stonden met jaloerse blikken te kwijlen.

Als de kermis begon op donderdagmiddag drie uur, stond je met een rijksdaalder in je vuist geklemd om twaalf uur al voor de kassa, je moest niet te laat zijn voor de eerste rit. Om half vier was je geld op. Tijd om langs de familie te gaan, voor deze gelegenheid pikte je ook alle ooms en tantes mee waar je één keer per jaar kwam; om kermisgeld. Sommige van deze hielden je expres aan de praat of vroegen of je iets wou drinken en eten. Gemeen zij hadden geen besef van het belang van de aanwezigheid op het Kermisterrein. Stel je voor je vrienden staan er langer dan jezelf, dat kon niet. Er waren er ook die er op stonden dat je iedere dag langs kwam om een beetje geld. Best wel slim, want de centen die je in je zak had zitten brandden. Het was in de regel in een poep en een scheet op. Ik heb een keer uit puur kinderbelang twee kroketten gepikt uit de keuken van mijn oma, deze heb ik aan Harry Hoefnagels gegeven “Met de groeten van mijn oma!” , uiteraard zat ik toen weer even een poos al cruisend in een botsauto onder de onvergetelijke klanten van Julio Iglesias, ‘Un Canto a Galicia’ en het liedje ‘Gina Lolobrigida’ de laatste was niet van Julio. Ik weet tot op de dag van vandaag niet wie mijn oma de schuld heb gegeven, dat zal hoogstwaarschijnlijk tante Bet wel zijn geweest, die kreeg wel vaker de wind van voren. De beste mensen ter wereld waren toen de vissermannen die in het cafetaria of in de boven gesitueerde vergaderzaal een biefstuk op aten. Piet Post, Wiggert Westerbeke en nog meer mensen waarvan je de naam niet kon, maar waar je veel van hield want van deze mensen kreeg je kermisgeld, helden in mijn ogen! Veel vrienden waren dan ook blij als ze met mij mee mochten achterom via het erf van Piet Luijt de keuken in.

Eén keer is de kermis bijna door mijn neus geboord. Op de camping in Drenthe zaten donderdagmorgen twee jongetjes te huilen aan tafel: “Wij willen naar de kerremis!!!” Simon de Haan en ikke, bloeddoorlopen ogen. Het werkte, mijn vader heeft ons toen in Heerenveen op de bus naar Den Oever gezet. Nooit meer zo blij gewuifd als toen, de mooiste rit van mijn leven. In Den Oever kochten wij spontaan twee retourtjes Den Helder om vervolgens in Hippo de Naco-bus uit te sprinten, onze schoenen raakten geen grond. Dat jaar heb ik het opbouwen gemist, maar was ik nog wel op tijd voor de opening. Nog steeds is de kermis speciaal voor mij, helaas door andere feesten en de vakantietijd iets naar de achtergrond geschoven, maar de herinneringen zullen altijd blijven bestaan. Ook de herinnering aan daags na de kermis, ze gingen weg. Met een bloedend hart en natte ogen keek je de laatste auto na, Nougat de Montelimar..... tot volgend jaar maar weer.




Deel op Facebook